maandag 12 september 2011

Kunst zinnig?


Als vakdocent Nederlands in de dop volg ik tegenwoordig het vak hedendaagse letterkunde.
Prachtige, kunstzinnige boeken en dichtbundels werden mij al ter analyse aangeboden. Zo las ik het boek "In Babylon" van Marcel Möring, prachtig doorvlochten met de meest vergezochte leidmotieven, verhuld en opgebouwd door ongekend meesterschap. Ik las de 'dichtbundel' van Tjitske Janssen; "Koerikoeloem". Een heuse aanrader voor wie het postmodernisme niet schuwt.

En toen ontmoette ik Tonnus Oosterhoffs 'Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen'.
Oosterhoff placht de draak te steken met de poëzierecensent. An sich is dat voor een postmodernist niet vreemd, sterker nog; het schrijven van poëzie die op weerstand stuit wordt door de postmodernisten als een heilig doel omarmd. Oosterhoff gaat echter ver in zijn pogingen om wat voorheen nog onder geen beding tot poëzie gerekend zou worden, te vermaken tot gedicht. Denk aan het publiceren van teksten uit een woordenboek of het publiceren van een brij aan woorden waar met pen strepen door gezet zijn en verbeteringen in zijn aangebracht.

Uiteraard drong zich ook aan mij de vraag 'is dit wel poëzie?' op. Een lichte weerstand borrelde in mij op en ik voelde me zoals iemand zich moet voelen als hij abstracte kunst afdoet met de alom gehoorde opmerking; "Dat kan mijn neefje van 4 ook".  Ik stapte, gebukt onder het gewicht van mijn studieboeken en mijn niet-aflatende wanhoop over het zoeken naar woorden om de bundel van Oosterhoff te analyseren, in de bus die mij bij mijn goede vriendin en studiegenoot Desirée zou brengen.  Met mijn boekentas op schoot, staarde ik, peinzend over de manier waarop ik deze niet te analyseren bundel zou gaan analyseren zonder een flater te slaan, voor me uit.

Ineens wist ik het, ik zou de proef op de som nemen! De buschauffeur zette me na deze voor mij zeer productieve rit voor de deur van mijn studiegenootje af en na een zeer welkome kop koffie aldaar, haalde ik mijn laptop uit mijn tas en opende ik een worddocument.
"Dees, wil jij de tijd opnemen?"
"De tijd?"
"Ja, ik ga iets leuks doen in drie minuten. Ik vertel je straks het plan. Wil je het zeggen als er drie minuten voorbij zijn?"
Wenkbrauwoptrekkend {zij kan dat met één wenkbrauw} nam ze haar mobiele telefoon ter hand en mompelde een 'ja' ten teken dat de drie minuten waren ingegaan. Aan een stuk schreef ik zinnen, ik reeg woorden aaneen en deponeerde alles wat er in me opkwam, daar op dat balkon in Tilburg, terwijl Desirée me -nog steeds met één opgetroken wenkbrauw- onderzoekend aankeek.

Wat ik maakte was een gedicht, het was een gedicht dat door moest gaan voor een Oosterhoff, zo had ik die middag in de bus bedacht. Nadat ik het geprint had, streepte ik een woord door en veranderde het in een ander. Rechts van het gedicht zette ik ook een 'boodschappenlijstje' en onderaan schreef ik in te grote letters; Perpetuüm, omdat ik dat een mooi woord vind.

's Avonds, tijdens het werkcollege droeg ik het voor, met alle overtuiging die ik in me had. Ik veranderde de klemtoon om de schijn van een lyrisch metrum op te roepen, ik laste pauzes in, daar waar je ze nét niet verwacht. Mijn publiek luisterde ademloos. Serieuze ogen tuurden onder gefronste wenkbrauwen over de gescande versie van "Bal masqué".
De docent prees mijn voordraagkunst en benadrukte dat dit overduidelijk een Oosterhoff was, te merken aan het metrum, te voelen aan de onuitgesproken intenties van de beeldspraak. Dit was nu precies waarom hij alle mogelijke poëzieprijzen in de wacht gesleept had, zo gewaagd!

Uiteraard bekende ik uiteindelijk kleur, ik was de schrijver van "Bal Masqué", sterker nog; het was in 3 minuten tijd gecomponeerd op een balkon in Tilburg met uitzicht op een basisschool en een begraafplaats.
Wat ik trachtte te doen was voor eens en voor altijd helder krijgen of poëzie een luchtkasteel is of een door velen onbegrepen vak. Het resultaat was dat de studenten en docent in mij een nog niet ontdekte kunstenaar van het woord zagen en vroegen of ze de scans van mijn eerste publicatie mochten houden.


Misschien gaat kunst wel niet om hoeveel pijn en moeite je er als maker ingestopt hebt. Misschien is 'knap gedaan' wel niet de kwalificatie voor kunst. Misschien gaat het erom dat je met kracht 'iets' overbrengt, wat door een enkeling geïnterpreteerd wordt als iets wat hem raakt. Dan ben je feitelijk als maker van een gedicht enkel een middel voor de ontvanger die er kunst van maakt.

0 reacties:

Een reactie plaatsen